Vrienden Cabauwse Molen logo
Scheprad Middelste molen, Cabauw
 

Wipwatermolen

De Cabauwse Molen heeft een groot scheprad. Dat scheprad wipt het water als het ware in de hoger gelegen boezem, vandaar de naam wipwatermolen. Een wipmolen heeft een piramidevormige ondertoren en een rechthoekig bovenhuis. De mooie verhoudingen maakt dat de molen klein lijkt, maar toch een respectabele afmeting heeft.

Vlucht van 27 meter

De Cabauwse Molen heeft een vlucht van 27 meter, dat is de lengte van twee tegenover elkaar staande wieken. Om de wind te vangen liggen er zeilen op de wieken. Als alle zeilen ervoor liggen, is dat 100 m2 zeil. Voor de zeilers: een gemiddelde open zeilboot, een valk bijvoorbeeld, heeft een grootzeil en een fok van samen 16 m2. De molen haalt met alle zeilen ervoor een omtreksnelheid van meer dan 100 km per uur. In molentaal wordt een wiek een end genoemd. Als alle vier enden gepasseerd zijn, heeft het wiekenkruis dus één omwenteling gemaakt. Per end maalt de molen 1 kubieke meter, 1 m3, water omhoog. Bij windkracht 4/5 gaat de molen 60 enden per minuut en maalt hij dus 60 m3 water omhoog. Als er teveel wind staat, moet de molenaar de zeilen zwichten, wat bij zeilen het reven van de zeilen genoemd wordt. De molenaar zwicht dus voor de wind.

Molen en woonhuis

Vanaf het begin woont de molenaar met zijn gezin in de Cabauwse Molen. Sinds de negentiende eeuw is er aan de woonkamer niets meer veranderd. Alleen het oorspronkelijke meubilair is helaas niet meer aanwezig. ‘Achter de bak’, bij het waterwiel zijn tot eind negentiende eeuw drie bedsteden. Molenaar De Lange, molenaar van 1888 tot 1938, heeft maar één dochter en haalt twee bedsteden weg. De derde bedstee verdwijnt in 1967, als de wielbak vernieuwd moet worden vanwege lekkage. De bedstede van de molenaar en zijn vrouw is nog wel in de huiskamer.

dwarsdoorsnede wipmolen

Bekijk een prachtige tekening van een dwarsdoorsnede van een wipmolen (pdf-file). Bron: Collectie Vereniging De Hollandsche Molen.

Twee ingangen

Het woongedeelte van de molen heeft twee ingangen. Waarom? Omdat de wieken tot bijna op de grond komen. Als de wind zo staat, dat de wieken voor de deur draaien, kun je er niet meer in of uit. Daarom is er een tweede deur. Logisch, toch? Uiteraard was het vroeger onder kwajongens een spelletje om tussen de wieken door te rennen. Dat liep niet altijd goed af, niet proberen dus.

Afgesloten van de boezem

De molen maalt nog tot begin jaren zestig van de twintigste eeuw regelmatig. Daarna maalt hij uitsluitend nog als hulpbemaling bij het nieuwe dieselgemaal uit 1934, dat in 1942 elektrisch wordt. Sinds de ruilverkaveling in circa 1972 is de Lopiker polder afgesloten van de boezem en heeft de molen dus geen functie meer. De molen maalt nu in circuit en daardoor mag hij ook malen als er weinig water in de polder is. Zo kan altijd (bij voldoende wind) getoond worden hoe dat in zijn werk gaat.

Door minder malen gaat de molen wel achteruit. Restauratie wordt noodzakelijk. In 1992 is het bovenhuis aangepakt, zodat de molen weer veilig kan malen. Tussen 1999 en 2008 worden alleen de wieken gedraaid, omdat het scheprad vast zou kunnen lopen op loszittende stenen. Na de grote restauratie in 2007-2008 is de molen weer volledig maalvaardig. Bij voldoende wind maalt hij volop water. Bij weinig wind draaien we alleen ‘voor de prins’, dus zonder het scheprad mee te laten draaien. Zo kan iedereen met eigen ogen zien hoe ingenieus mensen het eeuwen geleden bedachten.

Tip

Ook komen kijken? Bezoek de molen met schoolklas of als familie-, vrienden- of bedrijfsuitje.